De moord op Wouter Smit op vrijdag 14 april 1944
Geboren: 1 april 1887
Overleden: 14 april 1944
Op de avond van 14 april 1944 loopt de 57-jarige Wouter Smit bij het station van Giessendam. Wouter Smit is bakkersknecht van beroep en werkt bij bakker Gerrit van der Hoff uit Giessendam. Hij heeft een ledenvergadering van het Groene Kruis bezocht en is op weg naar huis.
Bij het kruispunt bij de spoorwegovergang staan vier landwachters. Zij hebben van de commandant van Landwacht Groep Sliedrecht opdracht gekregen die avond persoonsbewijzen van voorbijgangers te controleren.
Als Wouter Smit Binnendams (nu Damstraat) uitloopt en bij het kruispunt aankomt, passeert hij de eerste landwacht, naar later blijkt de jeugdige Joop Westdijk. Omdat Smit geen aanstalten maakt om te stoppen, roept deze hem toe: “Halt landwacht”. Smit volgt het bevel niet op, waarop hij nogmaals wordt aangeroepen door dezelfde landwachter die daarna vrijwel direct schiet.
Wouter Smit raakt daarbij levensgevaarlijk gewond in de rug. Mensen uit de omgeving die het schieten gehoord hebben dragen Smit het nabijgelegen koffiehuis van W.A. van der Heuvel binnen. Na vergeefse pogingen het bloeden van de wond te stelpen, wordt al snel duidelijk dat redding niet meer mogelijk is. Als korte tijd later de dokter arriveert, is Wouter Smit al overleden.
Wat de jonge landwachter heeft bezield, is nooit duidelijk geworden. Vermoedelijk wilde hij laten zien wat hij waard was. De bevolking is echter diep ontzet; de gruweldaad heeft diepe indruk gemaakt.
Het kost nog veel moeite het stoffelijk overschot vrij te krijgen, maar op woensdag 19 april wordt bakker Wouter Smit op de begraafplaats aan de Achterdijk te Neder-Hardinxveld begraven. De plechtigheid wordt geleid door dominee P.J. Dorsman uit Schelluinen. Heel veel burgers lopen mee achter de baar. De bevolking geeft op deze wijze via een stil protest blijk van haar leed en afschuw. Iedereen vroeg zich af of de ondergrondse iets terug zou doen.
En de ondergrondse wil iets terugdoen; ze zint op wraak en wil de wandaad van de landwacht, ook wel Jan Hagel genoemd, vergelden.
In Sliedrecht is men nog niet vergeten dat de vader van de jeugdige Westdijk met zijn gezin intrek nam in de textielzaak van de joodse familie S. (Siem) H. den Hartog. Westdijk betrok dit pand nadat de familie Den Hartog in 1942 werd opgepakt om nooit meer terug te keren.
Den Hartog had zijn pand aan de Rivierdijk, schuin tegenover de Boslaan. Hij was een vooraanstaand ingezetene van Sliedrecht en was onder andere gemeenteraadslid geweest. Alleen de dochter Ro blijft gespaard. Zij is ondergedoken in Amsterdam. Na de oorlog keert zij naar Sliedrecht terug en zet de zaak dan nog een twintigtal jaren voort, maar vertrekt daarna naar Israël.
Bron
Wim van den Heerik en ‘De Waard in oorlogstijd (2), de Alblasserwaard tussen ’40 en ’45’, door A. KorpelIngezonden brief van mevrouw Leny Leeuwis-Smit
Gepubliceerd in weekblad Het Kompas op woensdag 10 mei 2006.
"Dit verhaal schrijf ik op verzoek van mijn vader, Piet Smit, die ook al die jaren weer wordt herinnerd aan de laffe moord op zijn vader en toen nog maar 15 jaar was.
Elke keer weer, als het verhaal van die moord ter sprake komt, hetzij door anderen hetzij in boeken over de oorlog, wordt er namelijk iets verteld wat niet waar is. Dit wil mijn vader graag rechtzetten.
Op de avond van 14 april 1944 staan net over de spoorwegovergang van Giessendam een tweetal mannen, landwachters, beter bekend als NSB’ers. Een vader en een zoon, een knul van 16 jaar.
Op een hek bij de spoorwegovergang zitten een paar opgeschoten jongelui wat te kletsen. De landwachter, de jonge knul, vindt dat ze maar weg moeten gaan want zo zegt hij: “Als er vanavond soms nog geschoten wordt!”
Diezelfde avond, zo tegen tien uur, komen een paar mannen waaronder Wouter Smit terug van een ledenvergadering van het Groene Kruis bij diezelfde spoorwegovergang aan. Een beetje haastig, want het is bijna spertijd, de tijd dat je niet meer op straat mocht komen.
Ze lopen langs de landwachters, die om hun persoonsbewijzen vragen. Wouter Smit hoort het niet en loopt door, waarop hij vanaf ongeveer één meter afstand een schot hagel in zijn rug krijgt. Hij sterft nog voor er een dokter aanwezig is, op de leeftijd van 57 jaar.
Wat een laffe moord, want als die landwacht een stap naar voren had gezet had hij Wout Smit zelfs nog op zijn schouder kunnen tikken en het nog een keer kunnen vragen.
Wij zelf trekken onze conclusie uit bovenstaand verhaaltje; die knul vond zichzelf waarschijnlijk heel belangrijk en had al eerder besloten dat hij die avond zou gaan schieten.
Nu dan wat mijn vader zo dwars zit. In de meeste gevallen wordt verteld en in boeken vermeld dat Wout Smit doof was. Dat was hij NIET. De arme man heeft het niet gehoord, waarschijnlijk omdat hij in gedachten liep.
Het was ook het laatste wat de man nog heeft kunnen zeggen: “Ik heb het niet gehoord.”
Het verhaal dat Wout Smit doof was is dus niet waar en dat wil mijn vader graag kwijt. Vooral ook omdat, als hij doof zou zijn geweest, het enigszins verzachtende omstandigheden naar de dader toe zouden zijn en dat is in dit geval geheel onterecht.
Hopend dat het vanaf nu — niet de wereld, maar alvast een stukje de Alblasserwaard uit is — wil ik graag iedereen die met veel verdriet aan de oorlog terugdenkt veel sterkte toewensen.
Namens mijn vader Piet Smit,
Leny Leeuwis-Smit